Tussendoortjes Groep 1/2

 

De wereld op z'n kop
Benodigdheden: -

Het is de bedoeling dat de leerlingen het tegenovergestelde doen van wat de leider doet.
Gaat de leider staan, dan blijven de leerlingen zitten. Gaat de leider lachen, dan gaan de leerlingen huilen. Etc.

Geheugenspel
Materiaal : geen

Leerkracht kiest 5 leerlingen (afhankelijk van leeftijd kinderen) uit die voor de klas moeten staan. 1 leerling wordt de gang op gestuurd en de leerlingen voor de klas gaan in een andere volgorde staan (bijv. leerling 1 en 5 wisselen van plaats à maak het niet te moeilijk). De leerling die op de gang heeft gestaan moet vervolgens bedenken wat er in de volgorde is veranderd.

Om meer kinderen bij het spel te betrekken, kun je afspreken dat alle leerlingen de ogen dicht doen terwijl de volgorde veranderd wordt. Deze kinderen kunnen dan allemaal mee raden (hand omhoog) wat er veranderd is.

Dit spel is ook met voorwerpen te spelen (wat is er weg ?).

 

Groepjes maken
Materiaal : geen

Leerkracht noemt een paar namen op van kinderen die voor de klas moeten komen staan / in de kring (een voor een.. = ondertussen denktijd voor de klas). Waarom moeten deze kinderen allemaal in de kring of voor de klas komen staan ? Wat hebben ze hetzelfde ?

Bijv. spijkerbroek, rokje, paardenstaart, veters in schoenen, oorbellen enz.

Degene die de overeenkomst ontdekt, mag vervolgens zelf een overeenkomst kiezen en kinderen met die overeenkomst voor de klas sturen.

 

Het telefoongesprek
Benodigdheden: -

De leerkracht start het spel door in het oor van een leerling een zin in te fluisteren. De leerling geeft deze zin (wederom fluisterend) door aan de volgende leerling.

Is de zin op het einden nog exact hetzelfde als tijdens de start van dit spel?

Liplezen
Benodigdheden: -

De leerlingen moeten raden wat de leerkracht tegen hen zegt, door te lip lezen.
Dit kan beginnen met woorden en eindigen met zinnen.

Luisterend tellen
Benodigdheden: -

De leerkracht maakt de leerlingen duidelijk dat het voor dit spel ontzettend stil moet en dat je goed naar elkaar moet luisteren.
De leerkracht zegt 1, waarna een leerling reageert met 2, een andere leerling daarop weer 3 zegt en ga zo maar door. Echter, zodra twee of meerdere leerlingen tegelijkertijd een getal noemen stopt het spel en begint de leerkracht weer bij 1.

De leerlingen moeten dit spelen zonder enig gemaakte afspraken!! Natuurlijk zal het een aantal keren gespeeld moeten worden, voordat de bedoeling helemaal duidelijk is.

Muzikantje
Materiaal : geen

Stuur 1 leerling de klas uit. Spreek met de klas af wie de muzikant is. De leerling wordt de klas ingeroepen. De hele klas doet steeds de muzikant na (klappen, trommelen, rondje draaien enz.) terwijl de leerling moet ontdekken wie er steeds de beweging bedenkt/begint.
 

Omschrijfspel
Materiaal : geen

Leerkracht (of leerling) omschrijft een leerling of voorwerp of bekend persoon. Wie kan er raden wat de leerkracht in gedachten heeft ?

Kan variëren van appel (kleuters à kun je eten, fruit, steeltje, aan de boom enz. tot architect à beroep, tekenen belangrijk, huizen enz.)

Plaatsje verruilen
Materiaal : geen

Liefst in kringopstelling of in gymzaal (in hoepels). In de klas is het ook wel mogelijk, maar dan moeten de gangpaden in het klaslokaal helemaal vrij zijn van tassen e.d.

Alle leerlingen zitten op een plaats, 1 leerling (wachter) staat. De leerkracht noemt 2 namen van kinderen die moeten wisselen van plaats. De wachter probeert ook een plaatsje te bemachtigen zodat een andere leerling wachter moet zijn.
 

schrijfoefeningen
bewegingsspelletjes ter voorbereiding van schrijfoefeningen: bewegingsraadsels: met grote gebaren tekeningen laten maken in de lucht, de andere lln raden. vingerversje: tien turners lopen door de zaal tien turners stoppen allemaal buigen strekken, buigen strekken springen op en neer tien turners lopen door de zaal tien turners stoppen allemaal liggen op de vloer en rollen tien turners lopen door de zaal tien turners springen en... verdwijnen allemaal (hierbij worden dan op de bank , vingerbewegingen gedaan!)

Sleuteldief
Benodigdheden: Een sleutelbos (bijv. van de leerkracht)

Het spelen van dit spel kan zowel in het klaslokaal als in het gymlokaal worden gedaan.

Klaslokaal: De sleutelbos wordt door de leerkracht op een tafel van een leerling gelegd, die daardoor ook meteen de sleutelbewaarder is. Deze 'sleutelbewaarder' houdt zijn / haar ogen dicht en de oren open.
Andere leerlingen mogen hierna proberen om de sleutelbos te 'stelen', zonder hierbij geluid te maken. Alleen wanneer de sleutelbewaarder de sleutels geluid hoort maken (!), roept deze SLEUTELDIEF! Wordt een dief betrapt, dan begint het spel opnieuw. Lukt het een dief om de sleutels te stelen, dan wordt deze dief de nieuwe sleutelbewaarder.

Gymlokaal: Dezelfde opzet als hierboven, maar in dit lokaal kun je als leerkracht het beste een kring maken en de sleutelbewaarder met de sleutelbos in het midden van deze kring laten zitten.

Tik, tik, wie ben ik?
Benodigdheden: -

De leerkracht wijst een leerling aan die in het midden van het lokaal mag plaatsnemen en de ogen dicht moet doen.
Daarna kiest de leerkracht een andere leerling uit die moet vragen (met een gekke stem) "Tik, tik, wie ben ik?" Wordt het geraden, dan worden er een tweetal nieuwe leerlingen aangewezen.

Vingers tellen
Benodigdheden: -

- De leerkracht verdeeld de klas in groepjes van vier of vijf leerlingen.
- De leerkracht noemt een getal tussen de vijf en de twintig (afhankelijk van het niveau van de leerlingen).
- De leerlingen moeten in hun groepje nu zonder te praten steeds op hetzelfde moment een aantal vingers naar elkaar opsteken. Deze opgestoken vingers moeten samen het door de leerkracht genoemde getal vormen. Is dit niet precies goed nemen alle leerlingen hun vingers terug en proberen het opnieuw (zonder te praten!) net zo lang tot er precies het genoemde getal gemaakt is.
- Leerlingen moeten steeds elkaars vingers tellen om te kijken of het genoemde getal behaald is.

Wat een dierentuin
Benodigdheden: -

De leerkracht verdeelt de klas in een aantal groepjes, die elk van een andere dierennaam wordt voorzien (kippen, honden, leeuwen enz.).
Als de leerkracht de naam roept van een dierengroep, mag deze zich laten horen. Zodra een groep het geluid maakt terwijl zij niet aan de beurt zijn, krijgen zij een strafpunt.

Tip: Door het tempo steeds meer te verhogen, krijg je meer kans op fouten van de leerlingen.

Wat neem jij mee op vakantie?
Benodigdheden: Een papier en een pen voor de leerkracht.

De leerlingen spelen het allombekende 'Ik ga op vakantie en neem mee .. '. De leerkracht houdt hiervoor de klassenopstelling aan, wijst iemand willekeurig aan en gaat daarna met de klok mee.
Op het moment dat een leerling een attribuut vergeten is op te noemen, doet deze de rest van de ronde niet meer mee.

Tip: Het papier en de pen is voor de leerkracht om alle genoemde dingen op te schrijven als controlemiddel.

Welke leerling kan de meeste vakantiespullen onthouden?

Wat voel ik?
Benodigdheden: Een blinddoek en een aantal voorwerpen uit het klaslokaal.

De leerkracht haalt een leerling naar voren en blinddoekt deze. Hierna mag een andere leerling een voorwerp uit het lokaal pakken en deze overhandigen aan de geblinddoekte leerling. Deze moet dan raden wat het voorwerp is.
IS het voorwerp geraden, dan mag de geblinddoekte leerling een andere leerling uitkiezen die hetzelfde gaat doen.

Tip: Bij moeilijkheden is het misschien verstandig om de geblinddoekte leerling een aantal 'hints' te geven.

Weet jij waar ik aan denk?
Benodigdheden: -

De leerkracht wijst een leerling aan die aan een voorwerp moet denken wat in de klas is terug te vinden.
De leerling zegt daarna tegen de rest van de klas "Ik denk aan iets .. ik denk aan iets .. en het is ..." Hierna geeft de leerling een hint, waarna de anderen mogen gaan raden.
Diegene die als eerste het goede voorwerp heeft geraden, mag verder gaan met het spel.

Tip: Laat de leerling zeggen welk voorwerp hij/ zij heeft gekozen, om veranderingen gedurende het spel te voorkomen.

Wie heb ik in gedachten?
Benodigdheden: -

Alle kinderen gaan op hun stoel staan
(dat vinden de kinderen al heel leuk)
Neem een willekeurig kind in gedachten.
Dan begin je: "Het kind dat ik in gedachten heb, heeft geen rode broek aan".
Alle kinderen met een rode broek gaan zitten.
En zo ga je verder, tot dat het kind dat je in gedachten hebt op stoel blijft staan en de rest zit.
Je kan het hebben over de kleding, schoenen, jas, haren, broertjes/zusjes, leeftijd ed.
(dit kan je ook combineren met een thema, bijv kleding of tellen "hoeveel kinderen moeten er gaan zitten, ed.)
 

Wie is er het langste stil?
Benodigdheden: -

Samen met de leerlingen ga je een 'wedstrijd' houden welke leerling er het langste stil kan blijven.

Vaak ziet deze doelgroep het als een spel waarbij je als winnaar uit de bus kunt komen, terwijl de leerkracht het vaak als een moment van rust ervaart!