Psychologische benaderingen

 

 

Biologische benadering

Houdt zich vooral bezig met de werking van het zenuwstelsel en de rol van erfelijke factoren. Uitgangspunt is dat al ons gedrag een fysiologische basis heeft.

De biologische benadering heeft twee principes: erfelijkheid, de biologische overdracht van eigenschappen van een generatie op de ander en materialisme. Lichaam en geest beïnvloeden elkaar, elke substantie die een effect heeft op levende cellen is een drug, maar meestal wordt uitgegaan van de definitie dat lichaamsvreemde stoffen met een effect op cellen drugs zijn.

 

Behavioristische benadering

Legt het accent op het bestuderen van waarneembare gebeurtenissen. Gedachten, gevoelens en andere innerlijke verschijnselen kunnen niet empirisch worden onderzocht en horen net als erfelijke variaties niet thuis in een behavioristische theorie.

De behavioristische benadering benadrukt de rol die stimuli of prikkels uit de omgeving als factoren die ons gedrag bepalen. Er wordt dus vooral gericht op leren en gedragsveranderingen die het gevolg zijn van ervaring. Deze benadering legt het accent op de relatie tussen de respons en de stimuli.

Het behaviorisme legt de nadruk op operationele definities, dat wil zeggen dat ze begrippen in termen van waarneembare gebeurtenissen definiëren. Het legt ook de nadruk op het mechanisme van gedragverandering, er wordt daarbij voornamelijk gekeken naar de invloed van ervaring. Processen en het leren zouden gebaseerd zijn op het leggen van verbanden tussen ideeën en/ of gebeurtenissen.

Een stimulus is een gebeurtenis, situatie, object of factor die het gedrag kan beïnvloeden, voor een behaviorist is het een meetbare verandering in de omgeving. Een respons is in onderzoek het gedrag dat wordt gemeten, in het algemeen is het een reactie op een stimulus, hetzij van buiten zichtbaar, hetzij mentaal. Onderzoekers moeten een respons beschrijven in een bewoording die in een bepaalde situatie van toepassing is omdat een respons op heel veel manieren geuit kan worden.

 

Cognitieve benadering

De cognitieve benadering benadrukt de mentale processen die plaats vinden tussen stimulus en respons. Het gaat hierbij om processen zoals de werking van het geheugen, probleem oplossen en leren leren. Processen die in het onderwijs een rol spelen.

De cognitieve benadering onderscheidt zich van de biologische benadering en van de behavioristische benadering. De biologische benadering definieert de processen tussen stimulus en respons in fysiologische zin i.p.v. theoretische termen. De behavioristische benadering ontkent deze processen en maakt alleen gebruik van waarneembaar gedrag.

Cognitieve onderzoekers hebben zich bezig gehouden met denkprocessen zoals geheugen, probleem oplossen, beslissingen nemen en taal. Denkprocessen hebben invloed op ons gedrag en op onze waarneming.

Wolfgang Köhler en Edward Tolman zijn de grondleggers van de cognitieve benadering, zij hebben onderzocht of dieren en mensen via vaste patronen of met inzicht van de situatie werken. Tolman kwam erachter dat ze met inzicht werken.

Op het moment is de sociale cognitie erg populair, dit zijn de mentale processen die betrokken zijn bij de wijze waarop we sociale situaties waarnemen en erop reageren. Attitudes weerspiegelen in deze cognitie de persoonlijke overtuiging met een evaluerend karakter zoals goed of slecht. Ze beïnvloeden onze reacties op mensen of dingen. Een cognitieve dissonantie is een spanning die ontstaat wanneer gedrag en overtuiging of overtuigingen onderling met elkaar in conflict zijn.

Een ander belangrijk onderdeel van de cognitieve benadering is de attributietheorie, een theorie die zich bezighoudt met de vraag waaraan men de oorzaken van gedrag, zowel het eigen gedrag als gedrag van anderen, aan toeschrijven. Deze interpretaties worden attributies genoemd. De fundamentele attributiefout is de neiging de invloed van de omgeving te onderschatten en interne oorzaken te overschatten. Volgens de attributietheorie spelen cognitieve factoren een grote rol in onze emoties.

 

Psychodynamische benadering

Sigmund Freud is de grondlegger van de psychoanalyse. Freud is een van de meest bekende figuren in de psychologie. Iedereen heeft wel eens gehoord van Freudiaanse versprekingen, het Oedipuscomplex, het verklaren van dromen en het verdringen van ervaringen. Hij gaat uit van het psychisch determinisme, de veronderstelling dat al het gedrag een oorzaak heeft en dat deze oorzaak te vinden is. De motivatie van de mens zou gebaseerd zijn op aangeboren driften.

 

Andere theoretici werkten de psychoanalyse van Freud uit in verschillende psychodynamische benaderingen. Net als de cognitieve benadering houden ze zich bezig met mentale processen die zich in ons afspelen. Het verschil is dat de psychodynamische benadering het accent legt op de gehele persoon, de motivatie en bedoelingen van het gedrag en de rol van ervaringen in het verleden.

 

Humanistische benadering

Volgens de humanisten moet je om gedrag te begrijpen, de persoon die het gedrag vertoont moet begrijpen omdat gedrag niet afgedwongen wordt door eerdere ervaringen of omstandigheden maar door de subjectieve ervaring van het individu. Deze opvatting is dus absoluut niet deterministisch (de veronderstelling dat aan al het gedrag specifieke oorzaken ten grondslag liggen). Humanisten menen ook dat de subjectieve interpretatie van een individu van zijn gedrag van groot belang is, volgens de humanist is een subjectieve ervaring een belangrijk aspect van het gedrag. Een derde aspect van de humanistische benadering is dat er veel waarde gehecht wordt aan betekenis, het doel of de waarde die we aan onze handelingen en ervaringen toekennen.

 

De theorie van Carl Rogers (1902 – 1987)

Rogers, een humanistische psycholoog was er van overtuigd dat niet de therapeut maar de cliënt het therapieproces moet sturen. Hij sprak dan ook over een cliëntgerichte therapie. Rogers meent dat het feit dat we een organisme zijn en behoefte hebben aan voedsel, water, onderdak enz hebben en de actualiseringtendens, de wens om te groeien en onze capaciteiten te vergroten belangrijke factoren zijn van de persoonlijkheid.

 

De theorie van Abraham Maslow (1908 – 1970)

Maslows theorie bestaat uit de beschrijving van basisbehoeften die hij in een behoeftenhiërarchie plaatst. Zie : hfst. 5; blz. 225; Stromingen in de psychologie; William E. Glassman voor de behoeftenhiërarchie van Maslow. Onderaan staan de meest primaire behoeften als voedsel, lucht en slaap, zolang er niet aan de onderste behoeften voldaan wordt kan er niet gewerkt worden aan behoeften die hoger staan. De vier onderste behoeften zijn deficiëntiebehoeften, behoeften die bevredigd worden omdat het ons aan iets ontbreekt. De bovenste behoefte is de groeibehoefte, de behoefte om de eigen mogelijkheden optimaal te gebruiken en te groeien. Hoe fundamenteler een behoefte is, hoe meer hij onderaan staat in de hiërarchie en hoe moeilijker het is de behoefte niet te vervullen. De detailleuze invulling van de hiërarchie kan van mens tot mens verschillen.

Volgens Maslow kun je pas toekomen aan jezelf ontplooien als je alle andere basisbehoeften in voldoende mate bevredigd hebt. Met andere woorden: als je je thuis niet veilig voelt is het erg moeilijk om je op je werk goed te concentreren en te werken aan erkenning en waardering.

 

Behoeftenpiramide van A. Maslow:

Fysiologische behoeften:

Eten, drinken, rusten sex, enz.

Veiligheidsbehoeften:

Zekerheid, veiligheid, bescherming

Sociale behoeften

Liefde en contact met mensen om je heen, vriendschap, het gevoel ergens bij te horen

Erkenningsbehoeften (egobehoeften)

De behoefte van de mens aan erkenning en waardering, respect, vooral in werksituaties: competent gevoel

Zelfactualiseringsbehoeften (hogere behoeften)

Kennis, waarheid, wijsheid, zelfontplooiing, je gaat je verder ontwikkelen en maakt daarbij gebruik van je persoonlijke vaardigheden en capaciteiten