Project 'Spelenderwijs de wereld rond'
Juf Leonie

 

Wat is ontwikkelingseducatie?

Ontwikkelingseducatie is onderwijs over de Derde Wereld en over de verhouding tussen de Derde Wereld en die van ons. Het gaat dus over de Noord-Zuid-problematiek: het bestaan van mensen in Derde Wereldlanden in vergelijking en in samenhang met dat van mensen in de Eerste Wereld.

Jongeren worden daar via internet, krant, radio en tv bijna dagelijks mee geconfronteerd. Meestal zijn dat beelden met nieuwswaarde: de gevolgen van een overstroming, een sprinkhanenplaag of een aardbeving; uitgehongerde mensen als gevolg van langdurige droogte of oorlogshandelingen.

Deze beelden zijn bijna per definitie incidenteel en eenzijdig en geven daardoor een vertekend beeld. Leerlingen denken dan al gauw in stereotype. Een belangrijke taak voor ontwikkelingseducatie is daar nuancering in aan te brengen. Overigens, onderwijs over het Noord-Zuid-vraagstuk heeft in Nederland verschillende etiketten: mondiale vorming, vredesopvoeding, internationale vorming, Derde Wereldeducatie, e.d.

 

 

De richtlijnen van het SLO m.b.t. ontwikkelingseducatie

 

Laat het gewone dagelijkse leven vna mensen zien, in het bijzonder van kinderen.

 

Belicht dat zo veelzijdig mogelijk en laat zien:

-          hoe men zich in leven houdt (economisch aspect)

-          wat de (familie) relaties zijn (sociale aspect)

-          hoe men omgaat met macht en machteloosheid (politieke aspect)

-          hoe men zich uitdrukt in kunst en religie (culturele aspect)

-          wat de gevoelens en emoties zijn (individuele aspect)

-          hoe het er vroeger uitzag (tijdsaspect)

-          hoe men de omgeving gebruikt en die daartoe geschikt gemaakt heeft (ruimtelijke aspect)

 

Doe dat voor tenminste één land van elk van de vier cultuurgebieden:

-          Latijns – Amerika

-          Moesson Azië

-          De Islamitische wereld van Noord – Afrika en voor Azië

-          Afrika ten zuiden van de Sahara

 

Laat zien dat binnen één land de levenswijze sterk uiteen kan lopen.

Bijvoorbeeld: stad – platteland, rijd – arm.

 

Werk aan een fundamentele blikwisseling

Probeer het dagelijks leven ‘vanuit het zuiden’ ( en daarmee met andere ogen) te bekijken.

-          Gebruik geen negatieve bijvoeglijke naamwoorden, zoals: primitief, onderontwikkeld, cru, bar, passief

-          Behandel Derde wereldlanden niet in termen van achterstand

-          Laat zoveel mogelijk mensen van daar zelf aan het woord over de manier waarop zij leven. Dat geeft de meeste garantie dat het geschetste beeld als echt, gewoon overkomt.

-          Let erop dat een bespreking van kleding, woonomstandigheden, vervoersmiddelen, beroepen e.d. geen folkloristische- karikaturale, meelijwekkende of negatieve ondertoon krijgt.

-          Laat zien dat bepaalde situaties (bijv. een krottenwijk) niet gegeneraliseerd kunnen worden naar het hele land. Breng in dat verband ook de variatie tussen stad en platteland in beeld.

-          Laat een vergelijking met Nederland niet a priori uitvallen in ons voordeel. Belicht zonodig nadelige gevolgen van onze welvaart (zure regen, gifwijken, verkeersslachtoffers). Laat zien dat niet iedereen in Nederland goed gehuisvest is.

 

Laat zichtbare gevolgen van armoede, c.q. ontwikkelingsproblemen eventueel aan de orde komen als onderdeel van de beschrijving van het dagelijks leven van mensen.

 

Denk consequent aan de drie didactische principes:

-          Sluit aan bij de ervaringen van de leerlingen.

-          Laat ze in een actieve rol leren.

-          Stimuleer ze naar aanleiding van de lesstof hun mening te geven

 

Ontwikkelingseducatie is geen apart vak.

Laat het aan de orde komen bij aardrijkskunde, maatschappelijke verhoudingen en geestelijke stromingen of een overkoepelend vormingsgebied als wereldoriëntatie.

 

Dat kan op twee manieren:

Impliciet:

-          Bij onderwerpen als: voeding, wonen, verkeer, landbouw, etc. kun je een uitstapje naar de Derde wereld maken. Wat eten mensen daar, hoe wonen ze, hoe verplaatsen ze zich, hoe bewerken ze het land, wat verbouwen ze, etc.

Expliciet:

-          Eén of meer lessen, thema’s projecten, waarin de leefwijze van mensen in de Derde wereld centraal staat. Soms zal dit gebeuren aan de hand van e betreffende hoofdstukken uit een aardrijkskundeboek. In andere gevallen is er sprake van aanvullende lespakketten of maakt de school het materiaal zelf.

Van impliciete- en expliciete aandacht kan zowel in de onder- als bovenbouw sprake zijn.

 

 

Inleiding en verantwoording bij het project

 

Inleiding

 

Thema

Het thema wat wij hebben uitgekozen voor ons project is spelen en speelgoed bij ons en in de wereld. We hebben daar een titel voor bedacht: ‘Spelenderwijs de wereld rond.’ We hebben dit thema gekozen, omdat we spelen erg belangrijk vinden voor kinderen. Door middel van spelen kunnen kinderen zich ontwikkelen, waar ook ter wereld.

We proberen de kinderen normen en waarden aan te leren en hen duidelijk te maken dat spelen helemaal niet zo gewoon is en dat er ook heel veel kinderen zijn die niet kunnen spelen, omdat ze moeten werken in een fabriek. Voor een oplossing voor deze problematiek, kunnen de kinderen een oplossing bedenken in het Lagerhuis. Het Lagerhuis wordt in de bovenbouw nagespeeld en zo kunnen de kinderen voor dit maatschappelijk probleem zelf een oplossing bedenken.

We laten in dit project andere leeftijdsgenootjes aan het woord en we proberen hierdoor de kinderen in te laten leven in die andere kinderen. Dat doen we door verhalen te gebruiken voor de openingen die verteld worden door kinderen van hun eigen leeftijd. Ook doen we dit door betrokkenheid te creëren, hen te vertellen over de leefomstandigheden daar en de school in die landen.

We besteden aandacht aan spelen wereldwijd, invloeden van verschillende culturen op speelgewoonten, maar ook aan de omstandigheden waarin kinderen opgroeien die van invloed kunnen zijn op speelgedrag, zoals kinderarbeid. We trekken vergelijkingen tussen het heden, het verleden en andere delen van de wereld. De meeste aandacht gaat uit naar spel en spelen hier en elders.

Voor iedere les hebben we een trefwoord gezet dat aangeeft welke benadering de les heeft. Zo kun je in een opslag zien wat voor doel de les heeft.

 

Iedere leeftijd heeft zijn spel en zijn speelgoed. De ontwikkelingsfasen van een kind worden daardoor goed aangegeven. De motoriek ontwikkelt zich, bij westerse baby’s met hun activitycenters in de wieg en de box al op erg jonge leeftijd. In andere culturen waar het kind gedragen wordt op latere leeftijd. De relatie met leeftijdsgenoten verandert van op zichzelf gericht naar groepsverband. De activiteiten gaan meer in de richting van vaardigheid en prestatie naarmate de leeftijd vordert. Rond het tiende jaar komen de denkspelen en technische spelen in beeld.

In dit project gaat het kind zelf speelgoed maken en daarmee materialen en gereedschappen beheersen.

Spel en speelgoed is van alle culturen. De verschijningsvormen van het spel met de bal, de hoepel, de knikker en de materialen uit de eigen omgeving kunnen variëren, maar gespeeld wordt er overal mee. De kroonkruk van een bierflesje kan een damsteen worden en de bal kan van leer, rubber, katoen of bananenblad gemaakt zijn, het spel is er niet wezenlijk anders door.

De leeftijd van spelen houdt in veel ontwikkelingslanden wel abrupt op bij 12!

Kind zijn en spelend in de wereld staan zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Kinderen hebben nog geen baan, waarin ze zich uitdrukken, maar ze kunnen wel spelen. En dat is belangrijk voor hun zelfgevoel en de ontwikkeling van hun identiteit. Dat kinderen door spel beter gaan bewegen, leren samenwerken in een team, leren met regels om te gaan en geen spelbreker zijn, leren met materialen werken, enz. is dan mooi meegenomen.

 

Opening van het project

De opening van het project vindt plaats in iedere klas apart. Voor iedere klas is er een verhaal dat voorgelezen kan worden. De onderbouw heeft een verhaal, de middenbouw heeft een verhaal en de bovenbouw heeft ook een verhaal. Er zijn 3 verhalen die voorgelezen kunnen worden in hun eigen bouw.

Voor de lessen is het belangrijk dat de leerkracht beeldmateriaal verzameld voor de kinderen. Dat kunnen videobanden zijn, plaatjes, internet, dia’s etc.

 

Waar houden ze zich mee bezig?

De onderbouw houdt zich vooral bezig met verschillende spelletjes van nu en vroeger, gedichtjes en muziek.

In de middenbouw wordt ingegaan op universele manieren van spelen die je op de hele wereld terugziet (en waarbij de ene niet beter is dan de andere).

In de bovenbouw staat de betekenis van spelen centraal (spelen kan ook een vorm van leren zijn), maar ook wordt er aandacht besteed aan spelen in verschillende culturen. Hierbij wordt een link gelegd met de problematiek rond kinderarbeid, omdat in sommige landen kinderen zoveel moeten werken waardoor ze geen tijd meer overhouden om te spelen.

 

 

De lessen

 

Onderbouw

Het verhaal “Die wil dit en die wil dat”

Nan wil in de zandbak

het liefst met Jeroen

maar die wil graag verstoppertje

met andere kinderen doen

 

Tijs wil fruit uitdelen

Daantje duimt, zij wil niet spelen

 

Ana wil met Janneke

een blokkentoren bouwen

maar Janneke wil zogenaamd

met Efraïm gaan trouwen

 

Kofi wil liedjes zingen

Antai wil touwtje springen

 

Hoe moet dat nou? Zegt juffrouw Eef

die wil dit en die wil dat

Iedereen wil iets anders doen

Eens even zien, hé weet je wat…

 

Ik vertel jullie een verhaal

over jullie allemaal

 

Over Nan die in de zandbak wou

het liefste met Jeroen

Maar die wou graag verstoppertje

met andere kinderen doen…

 

Kringgesprek over het verhaal (gedichtje)

De kinderen zitten in een kring. Het gedichtje is voorgelezen. Vraag de kinderen waar zij het liefste mee spelen en hoe ze dat doen. Zowel op school als thuis. Ze mogen een tekening maken van hun meest favoriete speelgoed.

 

Wat hoort er niet bij?

De kinderen zitten in een kring op de grond. Geef de kinderen verschillende rijtjes van vier woorden. Drie van die woorden zijn door een gemeenschappelijk kenmerk aan elkaar verbonden, het vierde woord hoort er niet bij. De kinderen raden welk woord er niet bij hoort. Eventueel kun je de woorden als tekening afbeelden. (kleuters)

Flat – iglo – KERK (woningen

Step – SLEE – skelter – fiets (vervoersmiddelen met wielen)

Aardappelen – rijst – TOMATEN – couscous (basisvoedsel)

Konijn – ZEBRA – poes – hamster (huisdieren)

Mohamed – Mahmud – JEROEN – Adem (Arabische namen)

ZAKDOEK – deken – dekbed – laken (beddengoed)

Klompen – laarzen – gymschoenen – SOKKEN (voor aan je voeten)

Pen – ZAKLAMP – potlood – viltstift (schrijfgerei)

ZWEMMEN – tikkertje – hinkelen – overlopertje (spelletjes voor op het schoolplein)

 

Je kunt de kinderen voor elkaar ook woordrijtjes laten bedenken en opschrijven (niet bij kleuters)

 

Speelgoed van vroeger

Vertel hoe kinderen een eeuw geleden (zo rond 1900) speelden en tegenwoordig. Laat de kinderen voorbeelden noemen van speelgoed dat er nu wel is, maar toen niet. Zo spelen veel kinderen tegenwoordig met de computer, maar die was er toen nog niet, want er was nog geen stroom in elk huis. De volgende vragen kunnen aan de orde komen:

-          Met wat voor voetbal speelden de kinderen vroeger? (zelfgemaakt, van lappen en van boomschors)

-          Tegenwoordig heb je Barbiepoppen, hoe zagen poppen er vroeger uit en waar waren ze van gemaakt? (Voorbeelden of plaatjes van oude porseleinen poppen, van poppen die gemaakt zijn van een maïskolf, van gras en lappen.

-          Bij wie thuis is er nog oud speelgoed? Heeft je moeder een oude trein of heeft je vader tinnen soldaatjes? (De kinderen kunnen oud speelgoed meenemen)

-          Veel kinderen spelen met auto’s. Heb jij ook auto’s om mee te spelen? Wat voor speelauto vind je leuk? Waar speelden de kinderen mee toen er nog geen auto’s bestonden? (Ze hadden paard en wagen)

-          Betrek de ouders of grootouders door hen te laten vertellen waar zij zelf vroeger mee speelden.

 

Dans mee op wereldmuziek (muzikaal ritmisch)

Janneke heeft thuis een CD-speler. Als ze uit school is vraagt ze soms of Nan mag komen spelen. Janneke en Nan dansen dan samen op muziek. Nan klapt in haar handen en Janneke draait in het rond. Harder en harder, met de muziek mee. Dan vallen ze allebei om. Ze zijn helemaal draaierig van het dansen en de muziek. In het voorgaande stukje wordt een link gelegd met het gedichtje. De kinderen kunnen dansen op een cd van wereldmuziek.

Waar het om gaat is dat de kinderen in contact komen met verschillende muziekvormen uit verschillende culturen. Vraag de kinderen ook om muziek mee te nemen van thuis. Wie heeft er een CD met Turkse, met Marokkaanse of met Somalische muziek?

De kinderen mogen zelf muziekinstrumenten maken en danskostuums in elkaar zetten. Neem ook instrumenten van thuis mee. Uiteindelijk wordt daarmee meegedaan met de muziek op de CD.

Muziekinstrumenten:

-          Ritmes tikken met hout op hout (blokken), hout op staal (pannen), staal op glas (flessen), hout op aardewerk (bloempotten).

-          Snoeren maken van belletjes en die bevestigen aan polsen en enkels

-          Potjes en busje vullen met rijst, bonen en zand. Bij het heen – en – weer schudden maakt dit een ritmisch geluid.

-          Door draad of elastiek te spannen over een holle doos kan een snaarinstrument in elkaar gezet worden.

-          Allerhande trommels zijn te maken van dozen, blikken, containers.

-          Raspende geluiden kunnen gemaakt worden door met stokjes waarin inkepingen gemaakt zijn langs elkaar te schuren of door golfkarton op hout te plakken en dat langs elkaar te bewegen.

Danskostuums:

-          Maak een pak van krantenpapier. Gebruik daarbij alleen kranten en plakband

-          Wie heeft er thuis nog een mooi lapje? (misschien hebben kinderen batik – stoffen of andere uitheemse prints) Met plakband en wasknijpers is van een lap stof snel een pakje gemaakt (nietjes zijn steviger)

-          Neem hoeden mee van huis.

 

Vang me dan, als je kan! (lichamelijke opvoeding)

Atai kan heel goed touwtjespringen. Hij springt dan ook heel hoog. Goed zo Atai, springen maar! En Jeroen kan heel hard rennen. Toe maar Jeroen, ren maar mee met de wind.

Iedereen kan sluipen, springen, rennen, vangen. Zullen wij dat ook eens doen?

 

De kinderen spelen verschillende tik-, vang- en overloopspelletjes. Daarbij kan een bepaalde sfeer uitgebeeld worden. Ga bijvoorbeeld verkleed als dieren. Dan kunnen de poezen de muizen proberen te vangen. Eenvoudige attributen als een kartonnen muizenstaart en papieren poezenoren voldoen daarbij al. Natuurlijk maken de dieren ook bijbehorende geluiden!

Kinderen kunnen dan ook van gedaante moeten wisselen. Hoorde je bij overlopertje eerst bij de lopers? (die moeten huppelend lopen), dan hoor je als je gevangen bent bij de vangers (hink – stap – sprong).Ook kan in de klas (speellokaal) gewerkt worden met acrobatische- en jongleer toeren. Wie kan er koppeltjeduikelen zoals de Indianen? (die wonen in Amerika) Wie kan er verspringen zoals de Inuit? (Eskimo’s die leven op het ijs) Wie kan er net zo goed sluipen als een Pigmee? (een kleinere volksstam die leeft in het oerwoud)

 

Natuurmemorie (naturalistisch)

Nan en Jeroen spelen het liefst de hele dag buiten. Het maakt ze niet uit als het slecht weer is. Dan doen ze gewoon een regenjas aan! Buiten zie je altijd veel; bomen, dieren, bloemen. En de wind blaast lekker door je haren.

De kinderen spelen een memoriespel waarop verschillende zaken omtrent flora en fauna zijn weergegeven. Bijv. bomen, bladeren, dieren, paddestoelen, noten. Kinderen kunnen in hun eentje of met z’n tweeën met het memoriespel spelen door de kaarten door elkaar heen te leggen en de goede kaarten bij elkaar te zoeken. Bij de kaarten moet goed gekeken worden welke verschillen er zijn en welke overeenkomsten. Er zitten n.l. van elke categorie meerdere soorten in het spel verwerkt. Zo zijn er bijv. twee soorten bomen. Spelenderwijs leren de kinderen zo kenmerken herkennen van dingen die zij in de natuur tegen kunnen komen.

 

Mijn droomkasteel (interpersoonlijk)

In het verhaaltje zegt Nan dat ze in de zandbak wil spelen. Misschien bouwt Nan wel een droomkasteel? Dan kan ze als prinsesje daarin gaan wonen.

De kinderen gaan een eigen droomkasteel tekenen. De kinderen vormen kleine subgroepjes van drie á vier kinderen. Elk groepje mag vertellen hoe een droomkasteel er volgens hen uitziet. Kinderen noemen dingen als: een ophaalbrug, een slotgracht, torens, kantelen, schietgaten, een grote deur, een binnenplaats. Hierna gaat het groepje van blokken zo’n kasteel bouwen. Bouwopdracht is dat ze samen moeten proberen die elementen die zij genoemd hebben in het kasteel te verwerken. Centraal bij deze opdracht staat de samenwerking tussen de kinderen.

 

Middenbouw

Verhaal “Een échte leren voetbal”

Alles was anders sinds Jan vanochtend het huis binnenging. Hier zou Jan, met zijn kleine usje en zijn ouders, de komende drie jaar gaan wonen. Het huis was anders, de ommuurde tuin, de mensen en de taal. Alleen zijn babyzusje was hetzelfde. Ze lag in de reiswieg met haar rammelaar te spelen. Dat deed ze thuis, in Nederland. Dat deed ze gisteren, op Schiphol, toen ze vertrokken. En dat deed ze nu, hier in hun nieuwe huis in Guatemala City.

Jan keek rond in de kleine kamer die hij met zijn zusje deelde. Vanuit het raam zag hij kinderen op straat spelen. Ze trokken een autootje achter zich aan. Nou ja, een autootje; het was gewoon een dikke tak met vier bierdopjes als wielen. Jan had zin om mee te doen. Binnen was er niks aan met al die half uitgepakte koffers. Mama en papa liepen ook maar een beetje van de ene kant van het huis naar de andere.

‘Mag ik naar buiten, mam?’ vroeg Jan. Mama dacht even na. ‘Nee,’ zei ze, ‘ga maar met je lego spelen.’ Maar Jan had geen zin om met dat kleine zakje lego te spelen.

Met zo’n frutzakje lego kon je niks. Thuis, in Nederland, had hij twee kratten vol met lego, maar die konden niet mee in het vliegtuig.

Jan keek nog eens door het raam. Op een zanderig veldje voetbalde een groep jongens met een piepklein rood plastic balletje. Aan de kant van het veldje zaten een paar meisjes. Ze speelden met oude lege blikjes. Aan die blikjes zat een touwtje met een takje eraan geknoopt. De meisjes probeerden het takje in het blikje te krijgen. Soms rolde het kleine rode plastic balletje op hen af. Dan gooide het grootste meisje het balletje terug naar de jongens.

‘Ik wil naar buiten’, zei Jan weer. Nu keek mama ook naar buiten.  ‘Nou, vooruit dan,’ zei ze. ‘Ga maar even. Maar niet verder dan dat veldje, hoor. Ik wil je van hieruit kunnen zien.’

Jan rende naar buiten en de hitte kwam hem tegemoet. Hij slenterde naar het veldje en ging bij een stok staan die als doelpaal diende. De meisjes keken Jan verlegen aan. Jan keek naar de blikjes. ‘Capirucho,’ zei het grootste meisje en wees naar het blikje. Jan snapte niet wat ze zei.

Een van de jongens lachte vriendelijk en wenkte Jan. ‘Quieres jugar? Vroeg de jongen. Ook dat verstond Jan niet, maar het was duidelijk dat hij mee mocht doen. De jongen speelde hem het plastic balletje toe. Jan wilde terugschoppen, maar schoot over het balletje heen. Het was ook zo’n kleine frutbal! Jan dacht aan zijn nieuwe leren Adidas bal, in Nederland. Jammer dat hij die niet had meegenomen. Dan had Jan meteen de blits kunnen maken. Ze voetbalden nog even door, maar Jan kwam niet op dreef. En thuis was hij juist zo goed in voetbal. Het lag aan die bal. Veel te klein. Een bal hoort van leer te zijn en precies goed opgepompt. Het veld was trouwens ook niet alles. Gras was er niet en het stikte van de kuilen en keien. En schuin over het veldje, van de ene hoek naar de andere liep een voetpad. Af en toe liep er een vrouw over met een tas of een mand. De vrouwen liepen op hun dooie gemak over dat pad, dwars over het voetbalveld.

Zo kon je toch niet voetballen! Maar de vrouwen en de jongens deden alsof het heel gewoon  was. De vrouwen knikten vriendelijk en de jongens voetbalden gewoon om hen heen.

Na een tijdje kwam zijn vader Jan halen. Jans vader lachte naar de jongens en vroeg wat in het Spaans. ‘Wat zeg je allemaal pap?’ wilde Jan weten. ‘O, ik zei dat we hier net zijn komen wonen,’ zei papa. ‘En ik vroeg of ze hier vaak voetballen. Ze vragen of je morgen weer meedoet, dan spelen ze een wedstrijd.’ Jan knikte naar de jongens en liep met zijn vader mee naar binnen.

‘Was het leuk?’ vroeg zijn vader. ‘Ging wel,’ mompelde Jan, ‘met zo’n bal kun je niet voetballen.’ Papa haalde zijn schouders op. ‘Mag ik vragen of opa mijn leren bal opstuurt?’ vroeg Jan. ‘Denk je dat het dan beter gaat?’ ‘Tuurlijk, ik schop de hele tijd over dat frutballetje heen.’ ‘Dan stuur opa maar een brief.’ ‘Of ik bel hem op.’

Drie weken later was Jan al aardig gewend aan zijn nieuwe huis. Hij sprak al wat Spaans en zelfs het kleine balletje waar de jongens mee voetbalden, wende. Maar Jan was erg blij en trots toen hij de leren bal uitpakte die opa had opgestuurd. Wat zouden de jongens opkijken! Een echte leren voetbal! Met de bal als een schat onder zijn arm liep Jan naar het veldje. Alle jongens kwamen om Jan heen staan. Ze vonden de bal helemaal te gek. ‘Nou kunnen we écht voetballen,’ zei Jan. Hij schopte zijn bal het veld op. Vandaag ging Jan winnen! Jan speelde op zijn best. Hij passeerde zelfs Carlos die hij anders nooit voorbijkwam. Zie je wel! Als je maar een goeie bal had! Jan haalde uit en…hartstikke naast! Tja, nou moest hij natuurlijk weer wennen aan die grote bal. Maar de volgende zou erin gaan. Jan schoot de bal tussen de twee doelpalen in, de struiken in. Goal voor Jan! Iedereen joelde.

Bij een cactus bleef de bal liggen. Een van de meisjes haalde de bal. Ze gooide een kleine slappe bal het veld weer op. Nee hè! Jan slikte en beet op zijn lip. De bal was in de doornen  terechtgekomen. Lek! Jan zuchtte. Carlos haalde zijn schouders op. Pech! Met de slappe bal in zijn handen sjokte Jan naar huis. Daar zou papa blij mee zijn! Die bal was hartstikke duur.

Nou moest Jan weer een nieuwe op laten sturen. Zou opa blij mee zijn!

 ‘Hé, Juan!’ hoorde hij achter zich, ‘venga!’ Een van de jongens speelde hem de bal toe.

Een piepklein rood plastic balletje. Even dacht Jan na. Toen gaf hij zijn lekke leren bal een enorme trap. De bal bleef boven in een cactus hangen. Iedereen joelde. Trots rende Jan het veld op. Vandaag ging hij winnen!

 

Ik ken een woord en het begint met de letter… (verbaal linguïstisch)

Toen Jan net in Guatemala woonde kende hij nog haast geen enkel woordje Spaans. Maar van

zijn vriendjes heeft hij snel wat woorden geleerd. En voor het voetballen heb je bijna geen

woorden nodig. Je hebt wel goede voetbalbenen nodig! Jan weet al wel heel veel namen van

plaatsen in Guatemala want hij heeft met opa voor ze verhuisden goed op de kaart gekeken.

 

De kinderen verzinnen voor deze les woorden in een bepaalde categorie, waarvan bv. De eerste of laatste letter hetzelfde is. In de klas kunnen deze woordreeksen ook mondeling behandeld komen, laat bv. In een kring iedereen land noemen met een bepaalde letter, of het alfabet, waarbij elk kind een letter voor zijn/haar rekening neemt.

Voorbeelden van categorieën:

• steden op de wereld met een A (Amsterdam, Apeldoorn, Aberdeen,…)

• rivieren met een R (Rijn, Rio Grande,…)

• landen met een B (België, Brazilië, Bulgarije,…)

• gerechten met een S (spinazie, spaghetti, sushi,…)

• dieren met een D (dromedaris, dodo, duikelaar,…)

• planten met een V (vuurdoorn, varen, viooltje,…)

 

Spelen vroeger en nu, hier en daar (logisch mathematisch)

Jan ziet dat de kinderen in Guatemala soms net zulke spelletjes doen als de kinderen thuis in

Nederland. Want voetballen, vindt toch iedereen leuk? Maar in Guatemala hebben ze wel een

andere voetbal. Zijn vriend Juan is heel goed in het maken van voetballen. Hij heeft het ook aan Jan geleerd. Lego hebben ze ook niet in Guatemala. Jan vindt het toch wel jammer dat zijn lego niet mee in het vliegtuig kon. Maar van hout kun je ook mooie dingen in elkaar zetten. Dat doen zijn nieuwe vrienden.

Je vertelt hoe kinderen een eeuw geleden (zo rond 1900) en tegenwoordig spelen. De kinderen mogen voorbeelden noemen van speelgoed dat er nu wel is maar toen niet. Zo spelen veel kinderen tegenwoordig met de computer, maar die was er toen nog niet want toen was er nog

geen elektriciteit in alle huizen. De volgende vragen kunnen aan de orde komen in het gesprek in de klas: Hoe doen ze dat tegenwoordig in landen waar niet iedereen een computer heeft? Met wat voor voetbal speelden de kinderen vroeger (zelfgemaakt, van lappen en van boomschors)? Waar zijn voetballen tegenwoordig van gemaakt? Tegenwoordig heb je Barbiepoppen, hoe zagen poppen er vroeger uit en waar waren ze van gemaakt? Voorbeelden (plaatjes) van oude porseleinen poppen, van poppen die gemaakt zijn van een maiskolf, van gras en lappen. Bij wie thuis is er nog oud speelgoed? Heeft je moeder een oude trein of heeft je vader nog oude speelgoeddieren? Laat de kinderen oud speelgoed van thuis meenemen. Veel kinderen spelen tegenwoordig met auto’s. Heb jij ook auto’s om mee te spelen? Wat voor speelgoedauto vind je leuk (raceauto, brandweerwagen, ambulance)? Waar speelden de kinderen mee toen er nog geen auto’s bestonden? Ze hadden kleine paard – en – wagens.

Speel jij veel buiten? Is er bij jou in de buurt plaats genoeg om buiten te spelen? Wat zou

er in jouw buurt moeten veranderen om beter buiten te kunnen spelen? Hoe zal dat zijn als je op een flat in een wereldstad als Hongkong woont? Of hoe is dat als je in een klein dorpje aan een rivier woont, zoals wij? Hebben alle kinderen dezelfde ruimte om te spelen? Hebben alle kinderen even veel tijd om te spelen? Hoe zou jij het vinden als je in plaats van naar school te gaan zou moeten werken?

 

Schutkleurenspel (visueel ruimtelijk)

In Guatemala zie je heel andere dieren dan in Nederland. In de tuin van het nieuwe huis zag Jan laatst een bloem wegvliegen. Dat kan toch niet dacht hij? Jan keek nog eens goed en zag dat het geen bloem was maar een vlinder. Maar die vlinder had wel precies dezelfde kleur als de bloemen aan de struik. Knap is dat, vindt Jan. Zo zit de vlinder lekker beschut en valt hij niet op. De meeste dieren willen niet te veel opvallen in het gebied waar ze wonen. Ze hebben een kleur of vorm waarmee ze minder opvallen. Roofdieren vinden hun prooi dan minder goed.

Om kinderen te laten zien hoe het systeem werkt dat de minst opvallende soort meestal het ook het best doet, speel je het schutkleurenspel. Je hebt vijf soorten stevig papier nodig, liefst met een tekening erop. Behangpapier is daar geschikt voor. Knip van iedere soort papier zo’n 60 rondjes met een doorsnede van ca. 2 cm. Leg op tafel één van de papiersoorten. Pak daarvan een stuk van A2 formaat. Leg daarop 30 rondjes, 6 van iedere soort papier. De leerlingen moeten snel 15 rondjes van het papier afnemen. Ze moeten dat snel doen, zonder goed te kijken. De leerling is de rover die in een gebied op jacht gaat. Hierna blijven er 15 rondjes achter. De dieren die het overleefd hebben, planten zich voort. Ieder rondje wordt verdubbeld. Dat betekent dat van die kleur er een wordt bijgelegd. Er liggen dan weer 30 rondjes. Nu komt er weer een jachtronde: 15 rondjes snel weghalen. Daarna worden de 15 overgebleven rondjes weer aangevuld tot 30. Als je dit vijf keer hebt gedaan, stop je. Welke rondjes liggen er nu het meest op het papier? De rondjes (= dieren) met de kleur die het meest overeen komt met de ondergrond zullen er het meest overblijven. Het spel kan opnieuw gespeeld worden met dezelfde 30 rondjes maar met een andere ondergrond. Daar zullen dus weer heel andere dieren het best overleven.

 

De bal is rond (lichamelijke opvoeding)

Net zoals in het verhaal van Jan en zijn vrienden in Guatemala City gaan de kinderen in de klas zelf ballen maken. Jan wil in Guatemala zijn leren bal gebruiken maar die prikt steeds lek aan de cactussen. Dan maar een ander soort bal. Juan heeft er één gemaakt. Het is even  wennen, maar dan scoort Jan ook. Doelpunt!

 

Maak gebruik van gebruikt en afval materiaal (thuis verzamelen en bij kringloopbedrijf). Geef

uitleg dat in veel andere landen speelgoed van dat materiaal gemaakt wordt omdat het te duur is om speelgoed te kopen. Zo maken Braziliaanse voetballertjes zelf hun voetballen van lappen stof.

Hoe zou je zelf een voetbal kunnen maken? Hoe worden de voetballen die wij in de winkel kopen gemaakt (gestikt, van leer of kunststof, met een rubberen binnenbal)? Waar komen die voetballen vandaan (deels kinderarbeid in landen waarin ieder gezinslid bij moet dragen aan het gezinsinkomen)?

 

Zelf gemaakte ballen:

• zandballetje (afkomstig uit Latijns-Amerika): vul een zakje (plastic, stof) met zand of fijn grind. Daarna het zakje goed dichtnaaien of dichtplakken. Dit soort balletjes is vrij zwaar en daarom goed om mee te jongleren;

• pluimbal (afkomstig uit Latijns-Amerika): steek drie of vier veren die in de lijm zijn gedoopt in een blok schuimrubber en lijm ze goed vast. Maak met een priem of schaar gaatjes in een stuk vilt of rubber (oude fiets- of autobinnenband). Zorg dat de gaatjes in een rij liggen. Rijg door de gaatjes een stuk touw/koord. Leg het blok schuimrubber met de veren in het midden en trek de band aan om het blok. Eventueel kan één en ander nu beschilderd of beplakt worden. Zorg er wel voor dat het geheel licht blijft. Het pluimbal-spel wordt gespeeld door met de vlakke hand de bal over een net naar elkaar toe te spelen. De pluimbal mag de grond niet raken.

voetbal: maak een voetbal van oude vodden, van krantenpapier met tape en touw. Hoe

zwaar moet de bal zijn om er goed mee te kunnen voetballen? Verzwaren kan door steentjes in de bal te verwerken.

• lichtgewicht-bal: maak een klein, zo licht mogelijk balletje. Welk materiaal gebruik je?

Veren? Schuimvlokken? Papier? Blaas het balletje over de tafel naar elkaar toe met een rietje. Probeer het balletje in elkaars goal te blazen.

Papier-maché bal: beplak een ballon met papier dat eerst in behanglijm gedoopt is. Als het papier droog is kun je de bal verven of met collage-techniek beplakken. Dit is een grappige bal omdat hij niet helemaal rond is maar meer ei-vormig. Als je er mee gooit en rolt stuitert hij alle kanten uit.

 

Mijn natuurverzameling (naturalistisch)

De natuur is over de hele wereld hetzelfde, maar ook heel verschillend. Op veel plekken vind je

bomen, maar die hebben soms naalden en soms blaadjes. Cactussen vind je wel in Guatemala,

maar hier in Nederland is het te koud voor ze. Alleen op de vensterbank groeien bij ons

cactussen, lekker boven de verwarming. Sommige dieren houden van de zon terwijl andere dieren juist wegkruipen in een donker hoekje. En natuurlijk maakt het uit of je op het land woont of in de zee. Wist je dat er meer zee is op de wereld dan land? Jan vloog over een hele grote zee om in Guatemala te komen. Laat de kinderen verschillende dingen uit de natuur verzamelen. Geef hen daarbij wel de instructie mee voorzichtig om te gaan met dat wat zij willen verzamelen. Bijvoorbeeld geen paddestoelen uit de grond trekken of hele takken afbreken. Ieder kind legt voor zichzelf een verzameling aan. De dingen die na het drogen plat zijn (bladeren, grassen) kunnen in een herbarium, takjes kunnen naast elkaar opgeplakt worden op een stuk karton, zand kan in potjes of plastic zakjes, steentjes in oude kartonnen doosjes.

Wie weet er namen van wat hij of zij gevonden heeft? Komen al deze planten oorspronkelijk uit Nederland of komen sommige planten ook ergens anders vandaan? Aardappels komen bijvoorbeeld uit Latijns-Amerika, tulpenbollen uit Turkije. Welke planten groeien niet in Nederland? Cactussen groeien in woestijnen, palmbomen groeien in warme landen. Wat voor soort steen hebben wij in Nederland? Kristal komt uit de Alpen, Woestijnroos komt uit Marokko en Tunesië.

 

Mijn poppenkastpop (intrapersoonlijk)

In het maken van poppen zijn ze in Guatemala heel goed. Kinderen spelen daar met poppen, maar er worden ook poppen gemaakt die moeten lijken op boze geesten of op overleden mensen. En ze hebben er poppen die lijken op heel rare beesten. Jan hoeft eigenlijk geen pop, dat vindt hij maar suf. Maar als hij de mooie poppen in Guatemala ziet dan wil hij er wel één. Zo’n spannende, die lijkt op een monster.

De kinderen mogen allemaal een poppenkastpop maken. Dat mag een pop zijn die hen zelf

aanspreekt of een pop die iets met henzelf te maken heeft. Laat de kinderen eerst een paar voorbeelden zien op internet of plaatjes.  Laat de kinderen dan nadenken wat voor pop het zou kunnen worden. Laat ze onder woorden brengen waarom ze voor een bepaalde pop kiezen. Een prinses, een heks, een beest, een juffrouw, een vader, een dokter, een voetballer,….).

 De poppenkastpop krijgt als geraamte een houten kruis. Onder aan de lange (verticale) lijn van het kruis kan de pop vastgehouden worden. De horizontale lijn zijn de armen. Gebruik

voor de verdere uitwerking zo veel mogelijk wegwerpmateriaal en hergebruik materiaal.

 

Poppenkastspel (interpersoonlijk)

De klas wordt in kleinere groepjes verdeeld. Per groepje werk je aan het schrijven van een poppenkastspel waarin de poppenkastpoppen die gemaakt zijn de hoofdrollen spelen. In het werkboekje is ruimte om het verhaal op te schrijven. Het spel speelt zich af in een ver land waar geen van jullie ook geweest is. Hoe leven de mensen daar? Wat voor taal spreken ze? Wat doen ze voor werk? Wat voor spelletjes spelen de kinderen? De muziekinstrumenten die eerder gemaakt zijn kunnen ook bij het poppenkastspel gebruikt worden.

 

 

Bovenbouw

Het verhaal “Daar zit wat in”

Meneer Vereijken hangt een poster van Festival Mundial op in groep 8. Hij draait zich om en vraagt langzaam, met een doodserieus gezicht: ‘Jongens en meisjes, wat is spelen?’ Niemand zegt iets. Iedereen kijkt verbaasd. Wat een rare vraag! Pepita wiebelt wat op haar stoel. Meike begint te giechelen en Jahmal haalt zijn schouders op. ‘Ja hèhè,’ zegt Bas dan. ‘Nou?’ vraagt meneer Vereijken nog eens, ‘jullie zijn toch kinderen? Dan hoor je zoiets te weten! Iemand een idee?’ ‘Spelen is gewoon spelen,’ zegt Abdul. ‘Aha,’ zegt de meneer, ‘dat is al een begin. Maar het is nog geen antwoord op mijn vraag.’ ‘Spelen is eh..,’ zegt Zahra,.. ‘tikkertje, verstoppertje, voetballen, eh… hinkelen.’ ‘Spelen is je niet vervelen,’ zegt Jahmal. ‘Maar je kunt ook werken en dan verveel je je ook niet.

Meneer Vereijken knikt. ‘Dus spelen is iets anders dan werken?’ En hij schrijft op het bord:

Spelen = je niet vervelen, niet werken

‘Ja,’ zegt Jahmal, ‘werken is voor grote mensen, spelen is voor kinderen, want kinderen mogen niet eens werken.’ ‘In Nederland dan,’ zegt Pepita. ‘In míjn land moeten kinderen wel werken, bijvoorbeeld de hele dag op je kleinere broertjes en zusjes passen. En koken.’ ‘Da’s  geen werken,’ roept Bas. ‘Nou,’ zegt Meike, ‘mijn moeder werkt in een kinderdagverblijf, die past de hele dag op,’ Jahmal knikt naar Meike. Meike kijkt gauw naar haar tafel. Het is even stil. ‘Ja,’ zegt Abdul, ‘ik heb wel eens op tv gezien dat sommige kinderen de hele dag in een fabriek moeten werken.’ ‘Wel zielig,’ zegt Meike. ‘Maar dat is eigenlijk verboden,’ gaat Abdul verder, ‘dat is kinderarbeid. Kinderen mogen niet werken! Kinderen moeten spelen.’

‘In arme landen hebben ze toch geen geld voor speelgoed,’ zegt Meike. Bas trekt een rare kop naar Meike. ‘Ja hèhè, slimmerik, je kunt toch ook in bomen klimmen of knikkeren met steentjes of zo.’ ‘Steentjes rollen ook zo lekker!’ zegt Jahmal. Meike giechelt. Op het bord vult meneer Vereijken het lijstje aan:

Spelen = je niet vervelen, niet werken voor kinderen

‘Spelen is voor kinderen, werken is voor grote mensen, zeggen jullie. En als ik –ik ben best een groot mens – met een modelspoorbaan speel? Of ik zit te menserger-je-nieten of ik ga een potje voetballen?’ Niemand antwoordt. ‘Spelen is gewoon voor de lol,’ zucht Bas dan. ‘Werken doe je voor het geld.’ ‘voor de lol’, schrijft meneer Vereijken op het bord.

Hij loopt naar de boekenkast en pakt het woordenboek eruit. ‘Eens kijken wat meneer Van Dale zegt over spelen. Meneer Vereijken bladert wat in het woordenboek. ‘Tjonge jonge,’ zegt hij, ‘spelen is een pagina vol! Het is dus heel wat. Weet je wat spelen betekent? Plezier maken,’ leest meneer Vereijken. Hij krabt op zijn hoofd en leest verder: ‘een persoon nabootsen.’ ‘Ja,’ zegt Jahmal, ‘als je speelt doe je eigenlijk grote mensen na. Je doet precies

hetzelfde als wat zij doen, alleen is het voor de nep. Kleine kinderen spelen vadertje en moedertje, doktertje en schooltje. ‘Kleine kinderen?’ zegt Bas. ‘Jij speelt toch ook vadertje en moedertje met Meike, Jahmal! Bas port Jahmal in zijn zij. Meike krijgt een knalrooie kop.

Jahmal doet alsof hij niks gehoord heeft en praat gewoon verder. ‘Of je speelt circusartiest

offe… je playbackt, je doet alsof je beroemd bent. En als je het niet meer leuk vindt of het lukt niet, dan hou je ermee op. Grote mensen kunnen er niet zomaar mee ophouden.’

‘Heel goed, Jahmal,’ zegt meneer Vereijken.

‘Ik speel. Ik boots de meneer na,’ zegt Bas. ‘Heel goed Jahmal,’ zegt hij met een zware stem. Bas doet alsof hij in een boek leest, krabt op zijn hoofd en trekt een doodserieus gezicht.

Heel de klas lacht. Meneer Vereijken zucht en leest verder. ‘Een spel is een bezigheid zonder enig praktisch nut. Met andere woorden, je hebt er dus helemaal niks aan.’ ‘Zal best!’ roept Bas, ‘maar ik vind spelen –tig keer leuker dan práten over spelen. En eh, meneer,’ Bas tikt op zijn horloge, ‘het is allang speelkwartier hoor! Ik zal maar weer het goede voorbeeld geven.’ Bas staat op, schuift zijn stoel aan en wandelt de klas uit. ‘Doei!’ Heel even kijkt meneer Vereijken verbaasd. Hij krabt op zijn hoofd en mompelt: ‘Daar zit wat in!’ Met een klap slaat hij de dikke Van Dale dicht en roept Bas na: ‘Hé, Bas, wedstrijdje? Rennen dan, wie het eerst bij de fietsenstalling is!’

 

Kaartje leggen (verbaal linguïstisch)

Elke leerling maakt drie kartonnen kaartjes. Op elk kaartje komt een steekwoord te staan dat de leerling zelf moet verzinnen. De steekwoorden moeten passen bij drie categorieën: een onderwerp, een vraag en een bepaling van plaats. De steekwoorden dienen van toepassing te zijn op het thema. De steekwoorden kunnen getekend, geschreven, geplakt enz. worden. Als elk kind zijn of haar drie kaartjes af heeft, worden alle kaartjes verzameld. De kaartjes worden per categorie door elkaar gehusseld en in een doos gedaan. Vervolgens mag elke leerling om de beurt drie kaartjes uit de drie verschillende categorieën trekken. De kaartjes worden naast elkaar gelegd (1.onderwerp, 2.vraag 3.plaats). Er ontstaat nu een vraag. De leerling die de kaartjes heeft getrokken moet proberen de vraag te beantwoorden. De overige leerlingen mogen daarbij helpen. Sommige combinaties van kaarten zullen niet geheel passend zijn, andere zullen een aparte combinatie opleveren.

Voorbeelden van kaartjes:

 

Onderwerp                                         vraag                                     plaats

eten                                                    hoe vaak doen ze dat?             Afrika

spelen                                                 wat voor soorten?                   Duitsland

werken                                               wie doen dat?                         Mexico

naar school gaan                                hoe lang doen ze dat?             Nederland

dieren                                                 wat doen ze?                          Egypte

 

Deze opdracht gaat in op leefgewoonten en tijdsbestedingen van mensen in verschillende delen van de wereld. Vraag de kinderen om op te schrijven wat ze vandaag uit school gaan doen. Wat zou dit opleveren als je een eeuw geleden leefde of als je in een heel ander land woont? Ook kan aan ouders gevraagd worden om op te schrijven wat zij vroeger uit school deden.

 

 

De hoogste toren (visueel ruimtelijk)

De klas wordt verdeeld in subgroepjes. Elk subgroepje bouwt een toren. De toren moet zo hoog mogelijk zijn. Als materiaal liggen er rietjes en kopspelden. Laat de subgroepjes van tevoren bespreken hoe ze gaan bouwen, welke vorm eventueel stevig zal zijn, wat ze moeten doen als de boel in elkaar dreigt te zakken. De groepjes gaan uiteindelijk tegelijk aan de slag. Ze krijgen 10 minuten om te bouwen. Extra opdracht tijdens het bouwen is dat er niet met elkaar gesproken mag worden. Het is muisstil in de klas (de leerkracht kan rustige  achtergrondmuziek opzetten). Na afloop wordt het resultaat besproken. Leg niet te veel nadruk op de winnaar maar bekijk elke toren afzonderlijk. Welke toren is heel hoog geworden? Welke toren is stevig? Welke toren is in elkaar gezakt? Lijken sommige torens ook op bestaande torens? Welke beroemde torens kennen de leerlingen (Eiffel-toren, WTC Twin Towers, Martinitoren in Groningen, Dom van Utrecht, televisietorens, Interpolistoren in Tilburg, de scheve toren van Pisa).

Hoe zit dat met torens in landen waar wel eens aardbevingen zijn? Hoe kun je daar gebouwen zo bouwen dat ze veiliger zijn (flexibele funderingen)

 

Vrije tijd dagboek (intrapersoonlijk)

Aan de kinderen wordt gevraagd om gedurende een week een dagboek bij te houden. Laat de kinderen in de klas noteren op wanneer ze gewoonlijk opstaan, hoe laat ze op school zijn en op welke tijd ze naar bed gaan. Van de tijden die overblijven (vrije tijd) mogen zij per dag invullen wat zij hebben gedaan. Als de kinderen dit een week hebben bijgehouden wordt in de klas bekeken wat er zoal in de vrije tijd gedaan is. Zo kunnen er categorieën gemaakt worden en daarachter kan genoteerd worden hoeveel tijd aan iets besteed is. Categorieën: persoonlijke verzorging, eten, tijd om van en naar iets toe te gaan, televisiekijken, huiswerk maken, buiten spelen, binnen spelen, computeren, muziekles, sportclub, praten met je ouders en je broers en zussen. Wat was nu werkelijk vrije tijd? Zou je je tijd anders in willen delen? Hoe zal zo’n dagboek eruit zien voor kinderen in: Amerika, Ethiopië, Japan, uit een land waar een mede-leerling vandaan komt? Hoe zal zo’n dagboek er voor jullie ouders vroeger uit hebben gezien (laat de kinderen dit thuis navragen)? Hoe denk je dat je dagboek eruit ziet als je later volwassen bent en een baan hebt?

 

Het Lagerhuis (interpersoonlijk)

De kinderen debatteren in de vorm van ‘Het Lagerhuis’ zoals dat ook op televisie te zien is.

Hiervoor worden de kinderen in subgroepen verdeeld. In overleg met de leerlingen kan gekozen worden voor bepaalde stellingen. Er is een groep die voor het standpunt is (dient te motiveren waarom). Er is een groep die tegen het standpunt is (dient te motiveren waarom).  Er is een publieksgroep (overleggen samen waar zij op gaan letten). Er is een waarheidscommissie (zij zijn neutraal van oordeel. Zij moeten samen afspreken op welke gronden zij uiteindelijk een beslissing gaan nemen).

Onderwerpen waarover op deze manier gedebatteerd kan worden: spel en spelregels, kinderarbeid, liever vrije tijd dan naar school toe gaan.

 

 

Afsluiting

 

Het project wordt met heel de basisschool, met alle klassen, gezamenlijk afgesloten in de hal. Iedere groep mag een onderdeel uitkiezen die zij willen presenteren aan de rest van de kinderen.

Ze vertellen in het kort wat hun verhaal was bij de opening of lezen het voor aan de kinderen. Dan laten zij zien wat ze hebben gemaakt of gedaan. Ze kunnen ook een toneelstukje opvoeren met de materialen die zij hebben gemaakt. Iedere klas kiest een groepje uit van ongeveer 5 kinderen die dat mogen doen.

De kinderen vertellen per klas aan de rest van de kinderen wat ze hiervan hebben geleerd. Ook kunnen de kinderen hun mening vertellen over spelen en kinderarbeid.